Erven, schenken en nalaten

Onderzoek:


19-november-2018

Filantropie geen verlengstuk van overheid

Filantropie geen verlengstuk van overheid
DEN HAAG – Samenwerking tussen filantropie en overheid loont, maar waak voor rol-vervaging. Filantropie is geen verlengstuk van de overheid, aldus de wetenschappelijke Raad voor het Regelingsbeleid.

Door Bert Koopman

De grenzen tussen filantropie en overheid verschuiven en vervagen. Maar hoe ver kan en mag een bezuinigende en decentraliserende overheid gaan in het overlaten van publieke taken aan filantropie? Deze vraag stelt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), een onafhankelijke denktank voor de Nederlandse regering, in een onlangs verschenen rapport.

De hoofdconclusie luidt: erken en respecteer de eigen aard van de filantropie. De voornaamste opdracht aan de overheid, maar ook aan de filantropische sector zelf, is om haar grenzen met de overheid en de markt te bewaken. De vraag is dan wat trends in de relaties tussen deze partijen betekenen voor een te ontwikkelen beleidsvisie op filantropie.

Want een dergelijke beleidsvisie is sinds de invoering van de giftenaftrek in 1952, een belangrijk sleutelmoment in dat beleid, nooit ontwikkeld. In zijn onlangs verschenen rapport ‘Filantropie op de grens van overheid en markt’ verkent de WRR inrichting en dynamiek van de sector filantropie. Daarbij formuleert de Raad een antwoord op enkele wezenlijke vragen.

Geefgedrag
In de VS wordt fel gediscussieerd over de invloed van een nieuwe generatie puissant rijke filantropen onder wie Bill Gates (Microsoft) en Mark Zuckerberg (Facebook). Als mogelijke gevaren gelden: substitutie door van de overheid door filantropie, willekeur en onevenredig veel macht van vermogensfondsen. Maar Nederland is Amerika niet, aldus het rapport.

Het belangrijkste advies aan fondsen en overheden luidt ‘dat zij elkaar beter leren kennen, elkaar ontmoeten en uiteindelijk – indien wenselijk – elkaar versterken’. In Nederland vormen vermogensfondsen namelijk een van oudsher op de achtergrond opererend segment. Zij kunnen een motor zijn van innovatie door risicodragende initiatieven te steunen.

De vermogensfondsen zelf willen geen substituut zijn van de overheid en zien zich eerder als belangrijke spelers op een eigen terrein naast het reguliere overheidsbeleid. Juist hun vrijheid van kapitaal en autonome beslissingsmacht maken vermogensfondsen bij uitstek geschikt om ruimte te bieden aan allerlei initiatieven in een pluriforme samenleving.

Het rapport noemt als naoorlogse voorbeelden de VandenEnde Foundation (ruim € 6 miljoen in 2016 voor cultuur), Adessium (circa € 17 miljoen in 2016 voor publiek belang, mensen & natuur en sociale initiatieven), en De Verre Bergen (ongeveer € 25 miljoen in 2015 ter bevordering van maatschappelijke en economische ontwikkeling en welzijn in Rotterdam).

Kanttekeningen
De giftenaftrek werd in de naoorlogse jaren ingevoerd om de financiële nood bij goede doelen organisaties te lenigen. De relatie tussen staat, filantropie en burger is echter ingrijpend veranderd. De giftenaftrek is verworden tot een lappendeken van voordelen voor donateurs en slechts weinig belastingplichtigen benutten de geboden mogelijkheden.

Het geringe gebruik van de giftenaftrek onderstreept volgens het rapport de noodzaak om te komen tot een herbezinning. ‘Het momentum daarvoor creëert de wijziging die is voorgenomen in het regeerakkoord waarmee de maximale prikkel om belastingbetalers tot hogere donaties te verleiden afneemt van 51,95% tot maximaal 36,93%.’

Zoals bekend zullen alle persoonsgebonden aftrekposten, waaronder de giftenaftrek, op basis van het regeerakkoord van Rutte II worden verminderd en gemaximeerd op het basistarief van 36,93%. De aftrek wordt in stappen van 3% beperkt waardoor de aftrek in 2018 maximaal 51,95% zal zijn, in 2019 maximaal 48,95% en zo verder tot maximaal 36,93% in 2023.

Bij een lange trend van afnemende donaties door huishoudens, in een tijd van afnemend vertrouwen en een toenemende houding van what’s in it for me, is het voor de overheid zaak om voorzichtig te handelen. Ondoordachte veranderingen in donateursfaciliteiten kunnen leiden tot een grotere inkomensdaling bij Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI’s).

Filosofisch perspectief?
In dit rapport luidt de werkdefinitie van filantropie: ‘Het gaat om bijdragen in de vorm van geld (giften en investeringen) en tijd (aandacht, expertise), vrijwillig ter beschikking gesteld door particulieren (individuen, huishoudens) en organisaties (fondsen, kerken, bedrijven, loterijen) en primair gericht op het ondersteunen van algemeen nuttige doelen.’

Er zijn verschillende waarden die relevant zijn in het debat over filantropie. Het betreft morele principes zoals vrijheid, sociale zekerheid & inclusiviteit, democratie & politieke gelijkheid, maar ook effectiviteit en efficiency. Deze waarden – de lijst is niet uitputtend - zijn actueel en relevant voor een analytisch kader omtrent het verschijnsel filantropie.

Filantropie is niet vanzelfsprekend een fenomeen dat zonder verdere vragen positief beoordeeld moet worden. Er is namelijk ook kritiek mogelijk op filantropie, bijvoorbeeld dat het een vorm is van symptoombestrijding. Maar soms is symptoombestrijding het hoogst haalbare, aldus het rapport. Uiteindelijk zou filantropie zichzelf wellicht overbodig moeten maken.

Zijn Nederlanders moreel verplicht om te geven? Van een wettelijke verplichting is geen sprake, anders zou filantropie belastingheffing worden. Maar het feit dat filantropie soms symptoombestrijding is – denk aan armoedebestrijding in de wereld – wil nog niet zeggen dat geven niet wenselijk is.

Grenzen
De bescherming en bevordering van mensenrechten bijvoorbeeld zijn primair overheidstaken. Maar de grenzen tussen publieke en private domeinen vervagen. Mensenrechten zouden een plaats kunnen krijgen in de samenwerking tussen overheid en filantropische sector. Dit vereist echter wel goede onderlinge afspraken op dit vlak.

Mensenrechten zijn immers geen kwestie van vrijblijvendheid, weldoenerij of liefdadigheid. Het zijn rechten die mensen hebben als mens om een vrij en menswaardig bestaan te kunnen leiden. Dit lijkt soms op gespannen voet te staan met filantropie. Ondersteuning vanuit deze hoek geschiedt niet per se vanuit het idee dat mensen fundamentele rechten hebben op een aantal van de voorzieningen die worden gesteund, zo concludeert het rapport op dit punt.

Anders gezegd: de onderlinge grondmotieven van overheid en filantropie verschillen wezenlijk. Waar de staat handelt vanuit rechtstatelijke beginselen (constitutie, scheiding der machten et cetera) en een idee van rechtvaardigheid en publiek belang, oriënteert filantropie zich van oudsher op motieven als belangeloosheid of medemenselijkheid.

‘Filantropie kan een broedplaats van maatschappelijke veerkracht zijn, maar dat vereist een overheid die enerzijds deze kweekvijver filantropie afbakent en bewaakt, anderzijds gepast afstand bewaart’, aldus het rapport. Met andere woorden: principiële verschillen tussen beide sferen moeten in acht worden genomen.

Resumerend: filantropie is geen verlengstuk van de overheid. In de woorden van de WRR: ‘De overheid behartigt publieke zaken op basis van rechtstatelijke principes. Filantropie levert daaraan een wezenlijke bijdrage, maar overschat haar rol niet. Respecteer haar eigen aard en zie filantropie als aanvulling op taken waaraan de overheid zich heeft gecommitteerd.’

Bouwstenen voor een beleidsvisie:

>Erken vrije keuze als wezenskenmerk van filantropie

>Heb oog voor complementaire functies van filantropie bij publieke belangen

>Beschouw filantropie niet als substituut voor overheidsvoorzieningen

>Onderken de toegevoegde waarde voor sociale cohesie en een pluriforme democratie

>Beschouw fiscale faciliteiten als stimulans en verruim het doelgroepbereik

>Faciliteer (h)erkenning van sociaal ondernemerschap









< Terug naar voorselectie
Sdu Uitgever