Schenken

27-juli-2017

Waarom is het leuk om aan goede doelen te geven?

Waarom is het leuk om aan goede doelen te geven?
(en vijf andere vragen aan iemand die het weten kan)

Hoe vrijgevig zijn Nederlanders? Waarom geven we eigenlijk aan goede doelen? En zijn goede doelen nódig of kunnen we het allemaal beter betalen van onze belastingcenten? De redactie van Voor nu en later stelde zes vragen aan professor Theo Schuyt, hoogleraar Filantropische studies.

1. Zijn Nederlanders vrijgevig?
‘Ja, geen twijfel mogelijk’, zegt Theo Schuyt. Hij doet al vele jaren onderzoek op het gebied van goede doelen en onze maatschappelijke betrokkenheid. ‘We staan hoog in alle Europese rijtjes. Dat is al tientallen jaren zo, ondanks het feit dat ook de belastingdruk hier behoorlijk hoog is. We doen hier ook betrekkelijk veel aan vrijwilligerswerk.’
‘Goede doelen krijgen de laatste jaren steeds meer uit nalatenschappen en ook het totale bedrag aan giften aan goede doelen is toegenomen. Dat bedroeg in 2015 ruim 5,7 miljard euro. Vooral bedrijven zijn meer gaan geven. Tegelijkertijd is ook zichtbaar dat Nederlanders in verhouding tot hun inkomen de laatste twintig jaar geleidelijk minder zijn gaan geven. In 2015 gaven huishoudens 0,69 procent van hun inkomen aan goede doelen. Dat was in 1999 nog 0,93 procent. Deze daling is voor het grootste deel toe te schrijven aan de ontkerkelijking. Mensen die lid zijn van een kerk geven over het algemeen meer en vaker dan mensen die niet kerkelijk zijn.’

2. Waarom geven we aan goede doelen?
Schuyt: ‘Ten eerste omdat we het geld kunnen missen. Veel Nederlanders hebben er de financiële ruimte voor. Als je een goed inkomen hebt en je kinderen hebben het ook goed, dan mag je toch wel iets extra’s doen? Dat is de gedachte. En Nederland is – hoewel ongelijk verdeeld – nog nooit zo rijk geweest.’
‘Punt twee: mensen vinden het leuk om tijdens hun leven een verschil te maken. Voordat je dood gaat, vraag je je twee dingen af: heb ik het tijdens mijn leven een beetje naar mijn zin gehad en heb ik nog iets kunnen bijdragen aan de wereld? Dus doen we graag zelf iets, in plaats van dat we wachten op overheidsbeleid, ambtenaren, enzovoort. En hoe leuk is het niet om je bezig te houden met een kindertehuis in India of om op Sumatra een schooltje te stichten?’
‘Individualisering? Dat past uitstekend bij filantropie. Met geven aan goede doelen of je inzetten voor vrijwilligerswerk laat je zien dat je geeft om de wereld. Dat is een heel individuele beleving. Een psychologische beloning van jezelf: eigenlijk ben ik wel een goed mens. Een filantroop hoeft geen altruïst te zijn. Een altruïst is iemand die alleen maar aan anderen denkt, een filantroop kan – ik weet dat het misschien gek klinkt – een heel naar mens zijn. Iemand die aan het einde van zijn leven denkt: laat ik toch maar een kindertehuis beginnen. Je wilt toch iets blijvends achterlaten.’

3. NLdoet, Alpe d’HuZes, Serious Request: waarom beulen we ons de laatste jaren zo graag af voor het goede doel?
‘Dat heeft volgens mij te maken met gemeenschapsgevoel. Vroeger zaten we met z’n allen in de kerk of liepen we mee in de processie. Dat wordt steeds minder, maar de behoefte aan gemeenschappelijkheid is er nog steeds. ‘Verwantschapsaltruïsme’ heet dat. We kennen het van Dan Palotta, een Amerikaan die het voor elkaar kreeg om tienduizenden mensen kriskras door de Verenigde Staten te laten fietsen tegen aids of borstkanker. Hij wist van zulke fietstochten heroïsche evenementen te maken. Een gezamenlijk doel geeft een gevoel van binding, daardoor wilde iedereen erbij horen.’
‘Mensen willen ook laten zien dat ze een goed doel serieus nemen, ze willen compassie laten zien. En als je jezelf afbeult, bijvoorbeeld door zes keer een berg op te fietsen, dan kun je ook met recht aan vrienden, collega’s en aan je buurt vragen om je te sponsoren. Die kunnen eigenlijk geen “nee” zeggen tegen zo’n verzoek; die persoon gaat iets doen dat tegen zijn eigenbelang ingaat en zich inzetten voor een ander. Moeilijk om dan niet je portemonnee te trekken.’
‘Ik zou dat ook met een beeld uit de Bijbel kunnen vergelijken. Jezus Christus heeft ook veel betekenis gekregen omdat hij gekruisigd is. De heilige martelaar is een communicatieve oproep met veel impact.’

4. Hebben we filantropie nodig? We zouden goede doelen toch ook van belastinggeld kunnen betalen?
‘Dat zal niet gaan en zou ook niet goed zijn. Democratie is méér dan politieke democratie. Natuurlijk is betrokkenheid op politiek niveau belangrijk, maar er moet ook directe betrokkenheid zijn. Ik wil graag een leefbare buurt, ik wil graag een goede school. Daarvoor wil ik ook zelf de handen uit de mouwen steken of – als ik het kan missen – zelf geld beschikbaar stellen. We kennen allemaal de overheid als zaakwaarnemer. Er is rotzooi of overlast in de buurt en je belt de gemeente om het op te lossen. Maar je kunt ook een buurtwacht vormen. Filantropie verrijkt de samenleving. De wortels van onze democratie dateren uit de Franse tijd: vrijheid (dat is de markt), gelijkheid (daar zorgt de overheid voor) en broederschap (dat is persoonlijke betrokkenheid, dat moeten we zelf doen). De balans is jarenlang verstoord geweest, maar wordt door vrijwilligerswerk en filantropie weer enigszins hersteld.’

5. U hebt weleens gezegd: de overheid snapt heel weinig van filantropie. Hoezo?
‘Het onderwerp stond dit jaar in elk geval in geen enkel verkiezingsprogramma. Veel overheden, zoals gemeenten, snappen ook weinig van burgerparticipatie. Taken die ze afstoten, moeten maar onbezoldigd door burgers overgenomen worden. En als de overheid het niet betaalt, moeten burgers het zelf maar opbrengen. Zo werkt het dus niet. De kern van particulier initiatief is dat het eigen keuzen maakt en autonoom is. Zo moet het ook behandeld en gerespecteerd worden. Overheid en particulier initiatief zijn dus twee werelden; soms lopen ze parallel, maar soms ook niet. Dat betekent voor een overheid dus: geen taken over de schutting gooien en veronderstellen dat particulier initiatief ze wel even overneemt.’
‘Ik krijg verzoeken van gemeentebesturen om te adviseren hoe ze vermogende particulieren kunnen betrekken bij het oplossen van problemen die het gevolg zijn van gaten in de gemeentebegroting. Zulke gemeentebesturen realiseren zich niet dat die vermogenden in hun gemeenten vermogend zijn geworden omdat zij nóóit hebben bijgedragen aan overheidstekorten en dat ook nooit zullen doen. Zo vraag je mensen niet op je verjaardagsfeestje. Verdiep je eerst maar eens echt in hun motieven, wensen en ideeën, dan praten we verder. Ook vermogenden hebben idealen.’

6. Hoe zit het met die Gouden Eeuw van de Filantropie, die u hebt voorspeld? Komt het daar nog van?
‘De tekenen wijzen daar nog steeds op. We worden rijker, de gezinnen zijn kleiner en de behoefte om zelf iets bij te dragen aan een betere wereld blijft bestaan. Het zal wel vragen om een andere manier van denken, een manier van denken die we in de jaren van een door de overheid gestuurde verzorgingsstaat een beetje hebben afgeleerd. Want wat is erop tegen dat mensen ook bijdragen aan een betere school, aan een mooi clubhuis voor de buurt? De universiteit waar ik werk, heeft haar bestaan te danken aan een grote gift van een bierbrouwer en aan veel kleine giften van gewone mensen als u en ik, de kleine luyden. Ik denk dat we dat in de toekomst weer veel meer zullen zien: directe betrokkenheid. Niet alleen van rijken, maar vooral ook van gewone mensen. Daar is ook niets op tegen, integendeel. De overheid zorgt voor de basisfinanciering en controleert of scholen hun werk goed doen. Extra geld van particulieren wordt ingezet voor speciale doeleinden als studiereizen, maar kan bijvoorbeeld ook gebruikt worden om klassen te verkleinen en het onderwijs te verbeteren. Ik zie niet in wat daarop tegen is.’

Theo Schuyt (68) is hoogleraar Filantropische studies aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij richtte daar het Centrum voor Filantropische Studies op. Daarnaast is Schuyt bijzonder hoogleraar Filantropie en sociale innovatie aan de Universiteit Maastricht namens het Elisabeth Strouven Fonds. Onder filantropie verstaat Schuyt niet alleen geld geven aan goede doelen, maar ook alle vormen van vrijwilligerswerk en burgerparticipatie.

Tekst: Roel Smit

Ontleend aan: magazine Voor nu en later, zomereditie 2017

< Terug naar voorselectie
Sdu Uitgever